HOOFDSTUK III
< Inhoudsopgave >Volgende hoofdstuk
DAGELIJKS LEVEN EN GEWOONTEN VAN DE NEDERLANDSE PIONIERER
Wij hebben veel te danken aan de eerste Nederlandse pioniers vanwege de beproevingen, ontberingen en ellende die zij doorstonden. Het dagelijks leven van de Nederlandse pionier was erg boeiend. Dit was voornamelijk te danken aan de gezelligheid en de geest van gelijkheid die in deze gemeenschap van pioniers doordrong, aan de nieuwigheid en eenvoud van het leven aan de grens en aan de gevaren die een maar al te reëel onderdeel vormden van de dagelijkse ervaringen van de mensen. Nieuwe immigranten werden goed opgevangen en kregen daardoor het gevoel dat zij welkom waren, al was het beste dat men kon aanbieden slechts een stuk brood, boter en een bed van stro.[1]
Toen de Nederlanders in het zuidelijke deel van Lancaster County aankwamen was de aanwezigheid van vrij wild heel gewoon. Herten waren vrij groot in aantal. Op een morgen riep een vader zijn zoon uit de dugout. Hij zag een grote groep herten die vlak naast zijn huis aan het grazen was. Het kwam vaak voor dat ze bij het huis verschenen en dat gaf de jongen altijd een gevoel van opwinding.[2] Het dier dat zich het meeste liet zien was de prairiewolf. Een paar van deze dieren konden de nachten tot een verschrikking maken en voor iemand zonder ervaring moet het wel geleken hebben dat het land helemaal door hen omsingeld was.[3]
Het was niet ongebruikelijk dat er indianen in groepen van honderd of meer door deze nederzetting trokken. De Pawnee uit het noorden van Nebraska en de Otoes uit het zuidelijke deel van de staat waren gewoon elkaar ieder jaar op te zoeken.[4] Als ze onderweg waren zag meneer Huzenveldt hen vaak in grote aantallen dichtbij zijn huis kamperen. De indianen vielen deze mensen nooit lastig behalve dan dat zij om voedsel bedelden.[5]
Tijdens de allereerste kolonisatie van het zuidelijk deel van Lancaster County bestonden er uitgestrekte stukken prairie zonder wegen. De Nederlanders die in het westelijke deel van South Pass Precinct en het oostelijke gedeelte van Buda Precinct woonden staken sectie 10 van South Pass Precinct diagonaal over als zij naar Holland reden. Het karrenspoor werd echter gewijzigd toen een kolonist in 1878 tweehonderdveertig acres (97 ha) kocht van de westelijke helft van de sectie. Hij liet een omheining om zijn land zetten om te verhinderen dat de pioniers dwars door zijn land zouden rijden. [6]
Tot het laatste deel van de “zeventiger jaren” of de vroege “jaren tachtig” waren er nauwelijks bomen te bekennen in de Nederlandse nederzetting. Toen begonnen de Nederlanders er een eer in te zien rondom hun woonhuizen prachtige bosjes aan te leggen. De vrouw van een Nederlandse pionier plantte noordelijk van haar huis, samen met haar oudste zoon, een bosschage aan van wel zo’n honderd bomen. Zij wandelden naar de beek om ze te bemachtigen, iets wat altijd nog wel een wandeling was van ongeveer mijl. Ze merkte daarbij op: “Op een dag zal ik mijn kleinkinderen gastvrij ontvangen in de schaduw van deze bomen.” Jaren later zag zij deze voorspelling uitkomen, want bij vele gelegenheden kon men zien hoe ze zich bezig hield met het vermaken van haar kleinkinderen.[7]
De afwezigheid van bossen en de lange afstand naar de markten waar men ruw timmerhout verkocht maakte het deze Nederlandse pioniers onmogelijk veel boerenschuren te bouwen of zelfs maar een enkele. Timmerhout werd opgehaald uit Nebraska City of Brownville en later uit Lincoln. Bovendien hadden deze Nederlandse pioniers maar weinig geld om dat timmerhout mee te kopen. De bouwsels die zij op hun claims hadden waren opgetrokken met behulp van palen die ze bedekt hadden met moerasgras. Ze waren afhankelijk van het bos waar een meer fortuinlijke kolonist de eigenaar van was. Vandaar dan ook dat zij tevreden waren met dit bescheiden onderkomen.[8]
Soms waren deze eerste kolonisten bepaald niet kieskeurig wat het onderbrengen van hun vee betrof. Een van de kolonisten had een aantal biggetjes gekocht. Ze hadden echter geen schuur waar ze deze dieren in konden doen en daarom werden ze maar in de dugout ondergebracht. Ze bleven daar net zolang totdat er een plek voor hen was gemaakt.[9]
In de herfst werden er met de grootst mogelijke zorg zgn. “vuurbeveiligingen” (“fire guards”) aangelegd en als de kolonist verzuimde deze voorzorgsmaatregel te nemen dan kon hij ervan verzekerd zijn het slachtoffer te worden van een prairiebrand. Deze vuurbeveiligingen bestonden uit stroken omgeploegde grond waaruit uit alle begroeiing was verwijderd. Deze vuurbeveiligingen werden rondom het huis aangelegd en boden een tamelijk effectieve bescherming.[10] Tenzij de pionier deze voorzorgsmaatregelen nam had hij het zekere vooruitzicht dat op een dag alles verwoest zou worden. Veel arme kolonisten van onze staat zagen de vruchten van jarenlange harde arbeid binnen een paar uur in vlammen opgaan.[11]
Een van de ergste prairiebranden waarmee deze nederzetting ooit te maken kreeg speelde zich af in oktober 1871.[12] Deze brand zal later, verderop in dit hoofdstuk, nog aan de orde komen.
De Nederlanders uit de pioniertijd woonden in plaggenhutten (zie foto) die aan de zijkant van een heuvel waren uitgegraven. De holwoningen hadden meestal een oppervlakte van zo’n tien bij veertien voet (3 bij 4 meter) en waren zo’n 7 voet (ruim twee meter) hoog. De grond diende als vloer. Ze waren afgedekt met palen, kreupelhout en plaggen en afgerond met aarde. Meneer Henry Hickman en meneer Billie Morrison voorzagen de Nederlanders van palen en boomstammen om hun dug-outs te bouwen.[13]
De Nederlanders uit de pioniertijd woonden in plaggenhutten (zie foto) die aan de zijkant van een heuvel waren uitgegraven. De holwoningen hadden meestal een oppervlakte van zo’n tien bij veertien voet (3 bij 4 meter) en waren zo’n 7 voet (ruim twee meter) hoog. De grond diende als vloer. Ze waren afgedekt met palen, kreupelhout en plaggen en afgerond met aarde. Meneer Henry Hickman en meneer Billie Morrison voorzagen de Nederlanders van palen en boomstammen om hun dug-outs te bouwen.[14]
Het dak van de dugout was meestal van een armzalige constructie. Vaak lekten deze daken tijdens zware regenval. Mevrouw Wubbles vertelt daarover: “Heel vaak als het dak van onze dugout lekte zette moeder ons bovenop het bed en gaf ze ons een paraplu, die nog uit Nederland was meegebracht, en die hielden we dan boven ons hoofd.[15] Het verzakken en instorten van een dugout was ook een gebeurtenis die regelmatig voorkwam. De volgende gebeurtenis werd verhaald door mevrouw Anna Liesveld: “Op een avond tijdens een zware regenbui, terwijl vader weg was om te stukadoren, werd moeder gewekt door een geluid. Zij ontdekte dat er water de dugout binnendrong en al snel stortte de dugout in. Zij nam het hele gezin mee naar een buurman waar men ons onderdak bood totdat er voor een ander huis kon worden gezorgd.”[16]
De dugout was een geriefelijke plek in de winter, maar een zeer ongezonde in de zomer. In dit soort onderkomens konden ze er in de zomermaanden bijna zeker van zijn een overvloed aan slangen en krekels op bezoek te krijgen. Voordat het gezin naar bed ging inspecteerden goede moeders gewoonlijk eerst de bedden om zeker te zijn dat er zich geen ratelslang in verstopt had.[17] Meneer Huzenveldt vertelt: “Op een avond werd mijn vader wakker door een geluid buiten de dugout. Hij stond meteen op om te onderzoeken waar dat geluid vandaan kwam. Toen hij terugkwam zag hij dat moeder helemaal hysterisch en bang was. Zij vertelde vader dat een ratelslang over het bed van de baby en onder hun eigen bed was gekropen. Hij ging meteen op onderzoek uit, vond de ratelslang en slaagde er vervolgens in het giftige reptiel dood te maken.”[18]
Een andere, soortgelijke gebeurtenis wordt verteld door meneer Schreurs in het volgende verhaal: “Ik was een jongetje van ongeveer 6 jaar en ziek op het moment dat wij aankwamen in de Nederlandse nederzetting. De eerste paar weken gingen we inwonen bij mijn oom, meneer Jan Hendrik te Selle. Ik lag op bed toen ik voelde dat er iets op mijn benen viel. Mijn oom zag dat het een ratelslang was en zei tegen me dat ik heel erg stil moest blijven liggen en dat hij de slang vlug zou weghalen. Hij pakte een hooivork en met een vlugge beweging haalde hij de slang helemaal zonder kwalijke gevolgen bij me weg.[19]
De woningen van de pioniers waren spaarzaam ingericht. Het meubilair was erg ruw en onafgewerkt. De tafels, stoelen, bedden en andere noodzakelijke artikelen waren met de hand gemaakt. Het hout werd gewoonlijk verschaft door meneer Morrison of meneer Hickman.[20] De pioniers bezaten geen lampen. Als er eens een keer kunstlicht noodzakelijk was dan gebruikten deze mensen daarvoor een in elkaar gedraaide bundel onkruid die in vet was ondergedompeld.[21] Toen er voor het eerst lampen in gebruik werden genomen aarzelden deze pioniers om ze te gebruiken. Zij meenden dat de lampen te gevaarlijk waren en waren bang dat ze zouden exploderen.[22] Mevrouw Onnink geeft de volgende beschrijving van het interieur van hun eerste huis in de Nederlandse nederzetting: “Aan één kant van de holwoning hadden we een gat uitgegraven waarin we het vuur maakten om op te koken. In het dak was een gat door de plaggen gemaakt om de rook te laten ontsnappen. Vaak kwam onze dugout zo vol te staan met rook dat het onmogelijk werd om adem te halen. In plaats van bedden gebruikten we hooi, bedekt met gewone dekens of gewatteerde dekens. Een grote kist werd als tafel gebruikt en we hadden zelfgemaakte krukken als stoel.”[23]
Sommigen onder deze pioniers bezaten fornuizen, maar velen van hen hadden alleen maar een open haard of een gat dat was uitgegraven in de grond aan een kant van de dugout. Degenen die geen fornuis hadden bakten hun spullen in het huis van een buurman waar wél een kachel aanwezig was of ze bakten hun brood op een heel erg primitieve manier in de open haard. Het brood werd in een ijzeren ketel of een ijzeren pan gedaan en bedekt met hete as. Zo liet men verder staan totdat het brood gebakken was. Vaak was het brood dat op deze manier gebakken was zo hard dat het niet gegeten kon worden. Dan werd het gemalen met een koffiemolen en gebruikt als koffie.[24] Het gezin Reimes had geen fornuis in zijn dugout. Op haar ene arm droeg deze dame het brood en op haar andere arm een baby en zo liep ze helemaal de prairie over naar mevrouw Vermaas, een buurvrouw. Daar bakte zij haar brood in het fornuis van de buren. Mevrouw Reimes ging hier net zolang mee door tot ze financieel in staat waren een fornuis te kopen.[25] Mevrouw Jane Hietbrink verhaalt de volgende ervaring van haar vader, meneer John H. Lefferdink en meneer John Lubber: “terwijl mijn vader en meneer Lubbers hun brood aan het bakken waren in de open haard, kregen ze bezoek van de dominee. Aangezien beide mannen bescheiden en inge-togen waren aarzelden ze om naar het brood te kijken. Op het laatst verliet een van de vrijgezellen de dugout en liet de zorg voor het broodbakken aan de ander over. Tot zijn ontsteltenis ontdekte de arme man dat het brood helemaal verbrand was.”[26]
De afwezigheid van bossen en hout maakte dat het verkrijgen van brandstof een lastig probleem was voor de Nederlandse pioniers. De eerste pioniers betrokken hun brandstof meestal van regeringsgrond of van spoorweggrond die nog niet was opgenomen. Soms kregen de kinderen de taak om bizonkeutels om te draaien zodat ze konden drogen. Later werden deze keutels naar binnen gebracht en in de dugout benut als brandstof. Nadat de pioniers plaggenmaïs waren gaan verbouwen, werden de stengels daarvan als brandstof gebruikt. Mevrouw Wubbles verklaart: “Mijn vader kocht een handschiller. Wij kinderen hielpen hem bij het schoonpellen van de maïs. Wij hadden het idee dat we erg rijk waren als we afgepelde maïskolven hadden om mee te stoken.”[27]
Een van de eerste pioniers van deze nederzetting, sprekend over het voedsel uit die tijd vertelt: “Er was vrij wild was ruimschoots aanwezig toen de Nederlandse pioniers in deze nederzetting aankwamen. Prairiekippen waren er in overvloed en de pioniers leefden in hoofdzaak van hun eieren en vlees.[28] De Nederlandse pionier kende geen grote afwisseling van voedsel. In een interview werd een van de pioniers gevraagd: “Waaruit bestond uw voornaamste voedsel?” Zij antwoordde, “Aardappels, karnemelkse pap, roggebrood, wild en zo nu en dan varkensvlees.”[29] Boerenkool, een groene plant uit de moestuin, die gedroogd werd en gekookt met aardappels, was ook een lievelingsgerecht van de Nederlandse pioniers. Behalve koffie, die gemaakt werd van gebrande tarwe of brood, dronken de pioniers thee die gezet werd van een wild kruid.[30]
Enkelen van de pioniers hadden een slimme manier gevonden waarmee ze de prairiekippen te pakken konden krijgen. Een brede plank of een deur werd aan een kant opgetild en met behulp van een stok in deze schuine stand gehouden. Een lange koord was aan de stok vastgeknoopt. Vervolgens werden er maïskorrels onder deze constructie gestrooid. De prairiekippen werden door de maïs aangelokt en als er zich dan verscheidene verzameld hadden werd er een ruk aan het touw gegeven. Als gevolg hiervan werden er natuurlijk heel wat onder de plank of de deur gevangen. De vrouw van de pionier was zodoende regelmatig in staat een overheerlijke maaltijd voor haar echtgenoot klaar te maken.[31]
Een lievelingsgerecht onder deze eerste Nederlandse pioniers was karnemelkse pap; oftewel ‘kruidmoes’ zoals dat in hun vaderland genoemd werd. Kruidmoes wordt op de volgende manier gekookt: eerst maakt men de karnemelk warm tot vlak onder het kookpunt, dan wordt er wat zout bij gedaan en wat boekweitmeel om het geheel wat te binden. Later gebruikte men daar witte tarwebloem voor. Dit mengsel werd gegeten met sorghum. Het gerecht was erg populair onder de Nederlanders, maar het is twijfelachtig of de Amerikaan de smaak ervan zou waarderen.[32] Kruidmoes was in hun nieuwe thuis net zozeer in trek als in hun vaderland. De populariteit waarin dit gerecht zich mocht verheugen wordt geïllustreerd door een verhaal dat vaak wordt verteld over iemand die in de kolonie woonde en zijn buurman hielp bij het dorsen. Terwijl de dames de middagmaaltijd opdienden werd er ook een schaal met pudding, bedoeld als toetje, op de tafel gezet. De puddingschaal werd vlak voor deze heer neergezet die, in de veronderstelling verkerend dat het kruidmoes was, zichzelf pudding opschepte. De inhoud van de schotel was zo buitengewoon smakelijk dat hij alles opat. Nadat hij het laatste beetje van de pudding naar binnen gewerkt had maakte hij de volgende opmerking, “Wanneer ik pap eet, dan eet ik pap.”[33]
Een van de pioniers verklaarde tijdens een interview: “In 1871 hadden we een kleine lap grond met boekweit dat we maaiden met een zeis. We legden het graan op grote lakens en dorsten het met een vlegel. Nadat het dorsen helemaal gedaan was, werd het graan gemalen met een koffiemolen. Van het boekweitmeel maakten we dan pannenkoeken. Nog wat later kochten we een koe. We karnden de melk en verkochten de boter. Van de karnemelk maakten we kruidmoes of karnemelkse pap met het boekweitmeel.[34]
De eerste kolonisten maakten hun eigen sorghumstroop. Nadat de plaggen waren gebroken zaaiden ze een paar acres in met het riet. Na afloop van het rietkappen brachten zij de oogst naar de heer Millinger die in het bezit was van een suikerrietpers. Ze namen het uitgeperste sap mee naar huis en kookten het in tot een dikke siroop. De sorghumstroop werd gebruikt op pannenkoeken en in de karnemelkse pap. De kinderen waren stapelgek op deze lekkernij en beschouwden het als een geweldige traktatie.[35]
In veel van de huizen van de Nederlandse pioniers werden de maaltijden zonder erg veel drukte opgediend. Men kan zich de pionierende Nederlander voorstellen als zittend op een zelfgemaakte stoel terwijl hij een pan kruidmoes vasthoudt op zijn schoot. Hij wordt omringd door zijn gezin en allemaal eten ze uit dezelfde ketel.[36]
Soms waren deze pioniers als ze hun kruidenierswaren wilden verkrijgen, gedwongen om die over een grote afstand te vervoeren. Mevrouw Wubbles zegt: “Mijn vader werkte 12 mijlen ver van ons huis. Hij ging weg op maandag en keerde ‘s zaterdags weer terug. Op zijn rug droeg hij dan de levensmiddelen met zich mee die zijn gezin nodig had. Dat waren dan aardappelen, bloem en andere artikelen die gekocht waren met het geld dat hij had verdiend.[37]
Meneer Henry Walvoord doet een gelijkluidend verhaal. Hij werkte voor een man die Ken Moore heette en veertien mijlen van het ouderlijk huis van de heer Walvoord vandaan woonde. Op zekere dag slachtte meneer Moore een varken. Hij zei tegen meneer Walvoord dat hij wel een kwart van het beest kon meenemen naar zijn ouders. Meneer antwoordde: “Ik heb geen geld.” Toen hij echter te horen had gekregen dat er genoeg geld in het verschiet lag om het vlees mee te betalen, stemde hij maar al te graag met het voorstel in. Die avond ging hij op weg naar huis met het kwart varkensvlees op zijn schouders. Toen hij totaal uitgeput zijn bestemming bereikte kon hij de juiste ligging van het huis niet herkennen. Hij ging liggen, sliep tot het aanbreken van de dag en ontdekte toen dat hij niet ver van zijn vaders hut verwijderd was.[38]
Het grootste deel van de proviand en de kleren werd in Nebraska City gekocht. Meneer Martinius Wissink, een van de kolonisten die een span muilezels had, maakte regelmatig tochten naar de markt. Gewoonlijk kocht hij de noodzakelijke levensmiddelen voor al zijn buren. Deze tocht duurde wel een week.[39]
De namen van de pionierende Nederlanders die een belangrijke rol speelden in de geschiedenis van deze kolonie zijn al genoemd. Hun gelovige en trouwe echtgenotes hebben echter evenzeer hun aandeel geleverd in de ontwikkeling van deze gemeenschap. Hun nijvere handen voorzagen het gezin van kleren en van de wilde vruchten en het wild maakten zij de heerlijkste maaltijden. Vaak waren zij degenen die de ondankbare taak moesten vervullen om helemaal alleen het kleine huis te bewaken terwijl de echtgenoot weg was om een paar dollars te verdienen waarmee de noodzakelijke dingen voor het levensonderhoud gekocht konden worden.
Niet alle eerste kolonisten hadden het geluk te kunnen beschikken over de hulp van een trouwe echtgenote. Een paar van hen waren jonge kerels die zich er helemaal alleen doorheen wisten te slaan. Spoedig vonden deze jonge mannen echter een partner om hen te helpen. Het eerste huwelijk dat in deze kolonie werd voltrokken was dat tussen Peter Gana en Henrietta Wissink, dochter van Martinius Wissink en Fannie Wissink-Van Fafa. Zij werden op 26 juni 1871 in de echt verbonden door politierechter Hiram Boone, in zijn huis in Buda Precinct. De getuigen waren mevrouw M.J. Boone, J. Mills en Gerrit Gana (de vader van Peter Gana).[40] Het tweede huwelijk was dat van John H. Lefferdink met Grada Walvoord, dochter van Gerrit en Berendina Walvoord-Prinsen. Zij werden getrouwd door politierechter George Grimm in zijn huis in South Pass Precinct op 30 augustus 1871. De getuigen waren B.W. Lefferdink en William Walvoord.[41] Dit echtpaar kon 50 jaar later, op 30 augustus 1921, nog zijn gouden bruiloft vieren.[42]
De eerste baby die in de kolonie werd geboren was mevrouw Jane Koksma-Brethouwer. De tweede baby was mevrouw Jane Hietbrink-Lefferdink. Deze baby’s waren de eerste twee die gedoopt werden in de eerste kerk van de nederzetting.[43]
De Nederlandse pioniers hielden heel erg vast aan de gewoonten en gebruiken uit hun vaderland. De mannen dankten niet hun klompen af, noch hun flodderige broeken en evenmin hun lange pijpen. De vrouwen in de nederzetting droegen nog steeds hun uitstaande kleren en witte schorten.[44]
In de tijd van de pioniers nam de Nederlandse vrouw haar plaats in aan de zijde van haar man bij alle werkzaamheden op de boerderij. Dit gebruik is niet zo algemeen in Amerika, maar men kan het nog steeds waarnemen in alle landen van Europa. Bij het planten van het gewas, bij het binnenhalen van de graanoogst, of bij het hooien was de echtgenote onmisbaar. Ze liet zich zelden door ziekte afhouden van haar plicht.[45]
De eerste kolonisten in Holland, Nebraska bezaten, buiten de ossen, geen transportmiddelen. Aangezien deze dieren nodig waren voor het boerenwerk, zat er voor de vrouw van de pionier niets anders op dan gaan lopen. Dit was de gebruikelijke manier van reizen in haar vaderland. Nadat er zich een winkel in Holland had gevestigd gingen de vrouwen in deze kolonie veel van hun eigen inkopen doen. Abe Kommers vertelt: “Mijn moeder liep vaak naar Holland om haar boodschappen te doen. Dit was een afstand van vijf mijl. Behalve haar spullen droeg ze ook nog eens de baby met zich mee. Een andere dame[46] (Mevrouw Vermaas) uit deze kolonie liep niet alleen naar Holland, maar liep ook regelmatig naar Lincoln, een afstand van twintig mijlen.[47]
Deze pioniers hadden geen grote verscheidenheid aan maatschappelijke activiteiten. Hun voornaamste belangstelling was gericht op zaken die zich in de directe omgeving van huis afspeelden. Hun godsdienst was hier, net zoals in hun vaderland, een deel van hun leven. Buren brachten avonden met elkaar door waarop ze samen psalmen zongen. Deze pioniers hadden geen piano of orgel in hun huis, maar aangezien de muziek bij deze psalmen geschreven is in halve en hele noten, was er geen muziekinstrument vereist.[48]
De Nederlanders van de pionierskolonie waren bekend om hun koffie drinken. Deze gewoonte hadden ze meegebracht uit hun vaderland. Naast het gebruikelijke drietal maaltijden werd er nog een lunch geserveerd om negen uur ‘s morgens en om vier uur ‘s middags. Het opdienen van de lunch was bijna een godsdienstig gebruik onder de Nederlanders en koffie vormde het essentiële onderdeel van deze maaltijd. Als men verzuimde om zijn gast te voorzien van dit deel van het verwachte vertier, dan kon men ervan verzekerd zijn dat men zich daarmee een vijand op de hals haalde. Het volgende verhaal illustreert op treffende wijze het belang van deze gewoonte. Een Nederlander die zijn buurman hielp bij het dorsen kreeg ‘s morgens geen lunch aangeboden. Om twaalf uur ‘s middags zei hij tegen de huisvrouw dat als hij niet goed genoeg was om ‘s morgens een lunch te krijgen hij er ook de noodzaak niet van inzag om te blijven voor het middagmaal. Dus vertrok hij naar huis voor zijn middageten.[49] Drie of vier decennia geleden, ongeacht hoe weinig de Nederlander te bieden had naast de koffie, zaten hij, zijn gezin en de gasten altijd rondom de tafel. Hoewel de Nederlanders uit de nederzetting in Nebraska nog steeds verzot zijn op hun koffie, is de oude gewoonte van het opdienen van het een of ander toch wel veranderd.
Het dagelijks leven in de eerste kolonie in Holland, Nebraska zou men niet een avontuur kunnen noemen. Men zou het eerder nog als een reeks van avonturen kunnen beschouwen. De afzondering van de pioniers van de beschermende invloed van de beschaving zorgde ervoor dat hun leven primitief werd, zelf in een tijd dat de meeste van onze tegenwoordige gerieflijkheden volledig onbekend waren. De vroegste Nederlander in Nebraska wist nooit als hij ‘s morgens naar zijn werk ging welke gevaren die dag zijn pad zouden kruisen of welk levensgevaar hij die dag achterliet bij zijn gezin. Als hij ‘s avonds terugkeerde bij zijn gezin wist hij nooit welk lot hem te wachten stond. De wisselvalligheden van die dagen kunnen het beste beoordeeld worden aan de hand van de verhalen over verschillende familiegebeurtenissen.
Een van de zaken die door de eerste pioniers in de staat het meest gevreesd werden was de prairiebrand. Deze waren een bron van grote zorg voor de Nederlandse pionier. Een van de ergste prairiebranden waarmee deze gemeenschap ooit te maken kreeg vond hier plaats op 8 oktober 1871.[50] Mevrouw Wubbels geeft de volgende beschrijving van deze prairiebrand:
Het was een kwestie van gewoonte dat moeder en vader samen met meneer en mevrouw Van der Velde’s zondags de kerkdienst bijwoonden en dat wij kinderen werden achtergelaten in het huis van de familie Van der Velde. In de nacht van zeven oktober wist een jong hengstveulen dat mijn vader gekocht had zich los te breken en ging er vandoor. Vrezend dat de jonge hengst zou verdwalen besloot vader om niet naar de kerkdienst te gaan en ging op zoek naar het dier. De Van der Velde’s bezochten de kerkdienst zoals ze gewoon waren te doen en lieten hun kinderen thuis achter. Vader vond het veulen en keerde rond tien uur weer in huis terug. Hij maakte een opmerking tegen mijn moeder, “Het lijkt wel alsof ergens ten zuiden van ons een prairiebrand woedt.” Tegen het middaguur kwam de prairiebrand aan bij de gemeenschap en sloeg toe. Vader en moeder vochten hard om ons huis te redden. Zij gebruikten al het water en zelfs de melk die moeder in de ketel bewaard had. Vader dacht ook aan het huis van Van der Velde, maar in de wetenschap dat deze pionier een buitengewoon goede brandbeveiliging bezat, veronderstelde hij dat diens bezittingen voldoende beveiligd waren tegen elk vernietigingsgevaar. Onderweg van de kerk naar hun huis hielden de Van der Veldes halt bij ons huis. Mevrouw Van der Velde bleef koffiedrinken, terwijl meneer Van der Velde verder reed om te zien of er ook enige schade was aangericht bij zijn huis. Op zijn weg daar naartoe ontdekte hij het stoffelijk overschot van zijn oudste dochter die door het vuur helemaal verbrand was. Blijkbaar was ze hulp gaan zoeken. Toen hij het huis bereikte zag hij dat het helemaal was afgebrand en vond hij ook de stoffelijke overschotten van zijn twee andere kinderen. Het nieuws verspreidde zich snel en mensen uit alle delen van het land kwamen hulp aanbieden en hun medeleven betuigen. Gedurende een lange tijd weigerde meneer Van der Velde vader vergiffenis te schenken voor het feit dat hij had nagelaten om te zien naar het welzijn van zijn kinderen.[51]
De heer John Schreurs vertelt zijn ervaringen met deze prairiebrand:
Ik was nog een jongetje van een jaar of zeven. Vader reed met zijn paard naar de zondagse kerkdienst in Holland en liet moeder en mij thuis. In de morgen zag moeder dichte wolken in de richting van het zuiden. Al heel gauw was ze ervan overtuigd dat er een prairiebrand woedde. Omdat ze helemaal alleen was en niet wist wat ze moest aanvangen raakte ze in paniek. De gemeente die de kerkdienst bijwoonde had geen flauwe notie van de tragedie die zich zou gaan voltrekken. Toen vader uit de kerk kwam kreeg hij de situatie in de gaten en dacht meteen aan zijn gezin. Hij sprong op zijn paard en reed zo snel als zijn paard hem maar kon dragen naar huis toe. Dat was een afstand van ongeveer vier en een halve mijl. Toen hij thuis aankwam stopte hij ons haastig in een kar en nam ons mee naar een stuk omgeploegd land dat zo’n tien acres (4 hectare) groot was. Hij nam nog wat meubilair mee dat hij makkelijk kon opladen en ook de koe. Met behulp van een buurman pakte vader ook het paard en de ploeg en begon om het huis heen te ploegen om te voorkomen dat het vernietigd zou worden. Ze ploegden voort zolang ze maar konden. Toen begonnen ze een tegenvuur aan te leggen. Dit hielden ze aan de gang totdat de prairiebrand binnen een korte afstand was gekomen. Toen vluchtten ze weg naar de plek waar zij moeder en mij hadden achtergelaten. Vader wist niet alleen zijn gezin te redden, maar ook zijn dugout en bezittingen.[52]
De leden die bij de kerk en bij de dominee waren achtergebleven vochten hard om de eigendommen van de kerk te redden. De mannen gebruikten hun jassen en de vrouwen gebruikten sommige stukken van de kleding die zij droegen.[53] Deze catastrofe was een onvergetelijke gebeurtenis voor deze pioniers. Hun godsdienstijver was voor hen echter een grote troost tijdens zulke beproevingen.
Een andere plaag die de eerste kolonisten te verduren kregen was een sprinkhaneninvasie. Vóór 1874 werden ze ook al in grote aantallen waargenomen. Tot dat jaar richtten ze echter geen grote schade aan. Het kleine graan was al bijna helemaal geoogst en de aardappels hadden voordat zij kwamen hun groei al doorgemaakt, maar de maïs en groenten werden totaal vernietigd.[54] Eén Nederlandse dame spreidde nog lakens en kleren uit over haar tuin. Dit weerhield de sprinkhanen er echter niet van de groenten op te eten. Ze vraten gaten door de kleren en lakens en verwoestten tenslotte haar hele moestuin.[55]
Meneer Krull geeft in het Plat Book of Lancaster County de volgende beschrijving van de sprinkhaneninvasie:
In het laatste deel van de ‘zestiger jaren’ en in het eerste deel van de ‘zeventiger jaren’ ging de vooruitgang met rasse schreden. Toen kwam er echter een schok waarvan herstel bijna onmogelijk leek. Op dat ogenblik maakten de sprinkhanen hun opwachting en het leek alsof er in het westen een zware onweersbui tot ontwikkeling kwam. De zon was geheel verdwenen en toen zij overvlogen en op de grond vielen werd alle vegetatie die zij op hun pad tegenkwamen vernietigd. Zij waren zo dik dat zij in de buurt van Hickman een trein tot stoppen brachten. Hun geplette lichamen werkten precies zoals vet op de rails, waardoor de wielen slipten en de stoomtrein niet in staat was zijn werk te doen.[56]
De winters van de vroege ‘zeventiger jaren’ en vooral die van “vierenzeventig” waren, net als elders, harde tijden voor de eerste kolonisten van deze nederzetting. Het was een probleem om de noodzakelijke eerste levensbehoeften voor zowel mens als dier te verkrijgen. Men voerde de paarden met graan dat in kleine porties was afgemeten.[57]
Een pijnlijk nauwkeurige indruk van hun ontberingen zou men zich kunnen vormen als men maar even bij de ellende van de huidige depressie de extra belemmeringen van een traag vervoer optelt. Laat de landbouwer van vandaag de dag zich eens zijn situatie voorstellen zonder de financiële steun die hij nu ontvangt, als hij gedwongen zou zijn op ossenspannen te vertrouwen voor het vervoer van levensmiddelen die op zijn dorre, onvruchtbare akkers niet meer wilden groeien. Dit was nou precies de armzalige toestand waarin het grootste deel van de kolonie Holland verkeerde.
Deze pioniers ontvingen geen regeringssteun of hulp van de staat zoals de mensen in het hele land die de laatste paar jaar hebben ontvangen. Een van de pioniers merkte op: “De enige hulp die we, in de vorm van kleding, ontvingen was afkomstig van onze zusterkerken in het oosten.”[58]
De heer Alcoe Vandertook bezat in het zuidelijke deel van de county de eerste dorsmachine die werkte op stoom. In de tijd van het dorsen was meneer Vandertook, behalve de zondagen, zelden thuis. De plicht om de boerderij draaiende te houden en het gezin groot te brengen werd overgelaten aan zijn vrouw. De bruggen waren er in die tijd nou niet bepaald op gebouwd het gewicht van een dorsmachine te kunnen dragen. Heel vaak kreeg meneer Vandertook te maken met ongelukken en ontsnapte hij nauwelijks aan de dood. Eén ongeluk in het bijzonder staat mevrouw Vandertook nog zeer helder voor de geest. Haar man stak samen met hun beide zonen een brug over waarbij de complete uitrusting erdoor zakte. Meneer Vandertook en William raakten beklemd onder de machine. Het was uitsluitend te danken aan het snel en goed reageren en aan de moed en kracht van Henry dat vader en broer aan de dood ontsnapten.[59]
Meneer Chris Brethouwer begon in 1871 de eerste winkel, gelegen op zo’n driekwart mijl ten oosten van Holland. Het waren de grote afstand naar de markt voor deze pioniers en de afkeer die meneer Brethouwer had van het boerenwerk die hem ertoe brachten de riskante stap naar deze zakelijke onderneming te wagen. Het gebouw was klein en had een aarden vloer. Op een bord werd aangegeven hoe men de plaats kon bereiken.
In dezelfde periode werd er in Holland ook een kerk gebouwd. Dat bracht meneer Brethouwer ertoe om zijn winkel in 1872 te verhuizen naar de huidige locatie. Meneer Brethouwer nam de heer John Lubbers in dienst als winkelbediende voor zijn zaak.[60] In 1873 ging de heer William Walvoord als partner met hem samenwerken. De firma ging verder onder de naam “Walvoord & Lubbers.” De firma bleef als zodanig bestaan tot 1877 toen de heer Lubbers zijn aandeel verkocht aan de heer Walvoord.[61] In de vroege “tachtiger jaren” begon een zekere meneer Hoak een tweede winkel in Holland om even later de zaak te verkopen aan de heer Henry van Diest en Gerrit Jan (de timmerman) te Selle. In 1883 verkocht de heer Van Diest zijn belang aan de heer John Lubbers. Deze mannen leidden deze zaak tien jaar lang succesvol, tot in 1892 de firma werd doorverkocht aan de heer Walvoord.[62] Meneer Walvoord combineerde beide winkels met elkaar. In de eerste jaren van de 19e eeuw droeg meneer Walvoord de onderneming over aan zijn oudste zoon John die ging samenwerken met Garret Lubbers. John Walvoord verkocht vervolgens zijn belang in de zaak aan zijn broer, Garret Walvoord. Garret Walvoord en Garret Lubbers zetten de zaak onder dezelfde naam voort totdat William Schnieder het aandeel van Garret Lubbers kocht. De firmanaam werd toen bekend onder de naam “Walvoord & Schnieder” en dat bleef ook zo tot Gerrit Walvoord het aandeel van de heer Schnieder verwierf. De heer Gerrit Walvoord is nog steeds in het bezit van de winkel die nu door het leven gaat onder de naam “Walvoord’s General Merchandise” (“Walvoords Warenhuis”).[63]
De heer Walvoord was zijn hele zakenleven zeer succesvol. Hij was altijd diplomatiek en bezat een onvoorwaardelijk vertrouwen in de medemens. Naast de winkel verwierf meneer Walvoord zich nog zeshonderdveertig acres (259 ha) land en een schitterende woning die dichtbij de winkel gelegen is. Er zijn periodes geweest dat hij meerdere duizenden dollars aan rekeningen had uitstaan, hij heeft echter maar een paar rekeningen hoeven afschrijven. Het was geen geheim dat één man voor meer dan duizend dollar bij hem in het krijt stond. De Nederlanders waren echter de overtuiging toegedaan dat een eerlijke schuld afgelost moest worden.[64]
In later jaren was de winkel een ontmoetingsplek voor de oudere pioniers. Daar zaten de oude mannen met hun lange pijpen en hun klompen en haalden er herinneringen op. De eigenaar van de winkel hield altijd een sigarendoos goed gevuld met tabak, gratis voor degenen die prijs stelden op een rokertje. De Nederlander deed zijn voordeel met deze gastvrijheid. Vaak deden de jongere kerels wat buskruit door de tabak en de gevolgen daarvan waren zeer amusant. Als de mannen elkaar opzochten bij de winkel, gingen hun echtgenotes, die met hun mannen van de boerderij waren meegekomen, op bezoek bij andere huisvrouwen in het dorp. Om negen uur ‘s morgens of om vier uur ‘s middags kon men deze Nederlanders op hun klompen naar een van deze huizen zien stappen voor hun koffie.[65]
In 1900 telde Holland naast de winkel en de grote Nederlands Hervormde Kerk een melkinrichting voor het scheiden van de melk, een smederij, een molen, een hoedenwinkel en een postkantoor. De molen draaide op stoom en werd beheerd door de heer Chris Brethouwer. De inrichting voor het scheiden van melk en room was een coöperatieve onderneming gefinancierd uit de verkoop van aandelen in de gemeenschap.[66] Een gedetailleerde beschrijving ervan wordt gegeven in het hoofdstuk dat betrekking heeft op de landbouw. Beide bedrijven hebben hun activiteiten gestaakt.
De Vierde Juli was een grote gebeurtenis in dit pioniersdorp. In de late “tachtiger jaren” en de vroege “negentiger jaren” kwamen mensen uit het hele land hier naartoe om dit gebeuren mee te helpen vieren. Een iemand omschreef deze dag als het houden van een grote optocht met veel grote en prachtige wagens. De parade begon gewoonlijk in Holland en marcheerde dan een mijl westelijk naar een klein bos waar de dag verder werd doorgebracht met een groot diner en verschillende wedstrijden.[67]
In de vroege “zeventiger jaren” werd er nog een andere winkel begonnen in deze nederzetting door de heer Henry Te Brinke. Deze winkel stond op zijn claim in sectie 8. Later ruilde de heer Te Brinke zijn hofstede met die van de heer Kommers, die zich in sectie 14 bevond, twee mijl ten zuiden van Holland. De winkel werd opgedoekt.[68]
Andere dorpen aan de grens van de Nederlandse nederzetting die gesticht werden in de “zeventiger jaren” waren Hickman en Firth. Hickman was in kaart gebracht door de heer Henry Hickman en de plattegrond werd ingediend en opgeborgen in het archief op 20 september 1872.[69] Firth werd vernoemd ter ere majoor Firth, een beambte van de Atchison en Nebraska spoorwegmaatschappij die omkwam ten gevolge van een ongeluk op 19 juni 1872.[70] Dit dorp werd in kaart gebracht en de plattegrond geregistreerd op 28 juli 1872.[71]
In het laatste deel van de “zeventiger jaren,” begaf meneer Chris Brethouwer zich in de graanhandel in Hickman. Zijn gebrek aan kennis van deze onderneming veroorzaakte echter dat hij failliet ging. Brethouwer keerde terug naar Holland en voerde meerdere jaren het beheer over een molen. Ook besteedde hij een groot deel van zijn tijd en geld aan een poging een perpetuum mobile uit te vinden.[72]
In 1883 associeerden Cornelius Wismer en de heer William Rauwerdink zich en gingen een vennootschap voor een warenhuis in Hickman. De heer Wismer nam actief deel aan de ontwikkeling van het dorp. Hij was lid van de dorpsraad, de schoolraad en lid van de YMCA. (de Christelijke Jongemannenvereniging). Na een paar jaar succesvol zakendoen verkochten ze hun winkel. De heer Wismer keerde terug naar zijn boerderij in de Nederlandse kolonie terwijl de heer Rauwerdink een zaak begon in Lincoln.[73]
De Atchison en Nebraska-spoorweg was tijdens de zomer van 1872 aangelegd en doorsneed de Nederlandse kolonie ongeveer in het midden van South Pass Precinct. Deze spoorweg strekte zich uit van Atchison, Kansas tot aan Lincoln, Nebraska. De dienstregeling trad in werking in september 1872. Een paar Nederlanders namen actief deel aan de constructie van de spoorweg door South Pass Precinct. Een zekere meneer Garret te Kolste was een van hen.[74]
Deze spoorweg kende, zoals zovele andere tijdens de aanleg, de nodige financiële tegenslagen. Tegen de tijd dat de aanleg van de spoorlijn was gevorderd tot Johnson en Lancaster County was de voortgang traag en waren aanvullende fondsen noodzakelijk. Johnson County voteerde $ 102.000 voor aandelen en Lancaster County kwam voor aandelen met $ 120.000 over de brug.[75]
Toen de spoorweg gereed was maakte hoofdopzichter Firth een plan voor een excursie van beambten en andere afgevaardigden van Lancaster County en de stad Lincoln. De afspraken waren al gemaakt, maar op de ochtend van de excursie ontving procureur S.B. Galey, de gevolmachtigde van de spoorweg, een spoedbericht uit Atchison waarin werd meegedeeld dat de locomotief door een brug was gezakt, (ter hoogte van de huidige plaats van het dorp Firth) en dat hoofdopzichter Firth daarbij ernstig gewond was geraakt, dat een arm was geamputeerd en dat de excursie uitgesteld moest worden.[76] Majoor Firth overleed op 24 augustus 1872. De grote achting die men voor deze man koesterde kan worden geïllu-streerd aan de hand een verslag verschenen in de Beatrice Express.
“Onze burgers zullen het droevige ongeluk betreuren dat de hoffelijke en inschikkelijke hoofdopzichter is overkomen. Majoor Firth was een jonge man van buitengewone bekwaamheden en belofte die slechts vijfentwintig jaar oud was op het moment van zijn overlijden.”[77] De populariteit van majoor Firth wordt ook gedemonstreerd door het feit dat om hem te eren het dorp Firth later zijn naam ontving.
Deze spoorweg werd één mijl ten oosten van Holland aangelegd. Zou de lijn eerder zijn gebouwd of was het dorp later gesticht, dan zou dit in het binnenland gelegen dorp zonder enige twijfel aangelegd zijn naast de Atchison en Nebraska spoorweg. In het laatste gedeelte van de negentiende en het eerste deel van de twintigste eeuw wikkelde deze spoorlijn een onwaarschijnlijke hoeveelheid goederen af waarvan ook een groot deel bestemd was voor de Nederlandse kolonie. De spoorlijn kreeg het echter, net zoals zoveel andere spoorwegen, met de opkomst van de vrachtwagen, de bus en de auto hard te verduren. Tegenwoordig is deze spoorwegmaatschappij gefuseerd met het Burlington en Missouri spoorwegstelsel.
De meerderheid van de ingezetenen van deze kolonie is het altijd eens geweest met de opvattingen van de Republikeinse partij en heeft ook altijd actief deel genomen aan zaken die deze partij betreffen. Een paar van deze Nederlandse pioniers vertegenwoordig-den de nederzetting in regeringen van onze staat en county. In 1884 werd de heer Herman Liesveld door de Republikeinse Conventie van Lancaster genomineerd als kandidaat voor de volksvertegenwoordiging. In de verkiezingen van dat najaar werd hij met een grote meerderheid gekozen. Hij vervulde een termijn van twee jaar en werd herkozen in 1886.[78]
De heer John Trompen werd bij de November-verkiezingen van 1895 verkozen tot sheriff van Lancaster County. Het navolgende nieuwsbericht verscheen daarover in de Hickman Enterprise: “In deze gemeenschap vond deze week een grote gebeurtenis plaats. Zij vierde de overwinning van John Trompen in de strijd om het ambt van county-sheriff.”[79]
In kringen van de Republikeinse partij van Lancaster County speelde wijlen de heer Thomas Liesveld ook een prominente rol en op zeker moment diende hij als gecommitteerde van Holland in de Precinct. Zijn invloed in deze kolonie was van groot belang.
De veranderingen in South Pass en de omringende precincts binnen de Nederlandse kolonie zijn veelomvattend geweest sinds de Nederlandse pionier zich voor het eerst een plaats uitzocht binnen hun grenzen. In plaats van ruwe karrensporen en beken zonder bruggen is de gemeente nu goed voorzien van vele mijlen geschaafde en verharde wegen en van een voldoende aantal stevige bruggen. Vrije bestelroutes voor het platteland brengen de dagelijkse post aan de voordeur van elke boer in de nederzetting.
De grote uitgestrektheid aan vruchtbaar boerenland is overvloedig bezaaid met keurige en stevige woningen. Iedere woonplaats voorzien van het benodigde aantal bijgebouwen en stevige afdaken en schuren. De geest van onoverwinnelijkheid die de Nederlanders vanuit hun vaderland meebrachten heeft waarlijk gezegevierd. Zij hebben een thuis ontworsteld aan de prairie.
Volgende hoofdstuk
Inhoudsopgave
[1] Persoonlijk onderhoud met den heer Ben Brethouwer, 1937.
[2] Persoonlijk onderhoud met den heer John Huzenveldt, 1937.
[3] Persoonlijk interview met mevrouw Dillie (TeSelle) Wubbles, 1937.
[4] Annadora Gregory, Industriële Sociale Geschiedenis van Kreta, Nebr., mms., (Lincoln, 1930), 34.
[5] Persoonlijk onderhoud met den heer John Huzenveldt, 1937.
[6] Persoonlijk interview met mevrouw Clara (Bade) TeSelle, 1937.
[7] Idem.
[8] Persoonlijk interview met de heer Ben Brethouwer; de heer Henry Wubbles, 1937. Mr. Ben Brethouwer’s vader haalde het hout voor zijn hut op uit Brownville.
[9] Persoonlijk interview met de heer Ed Vermaas, 1937.
[10] Persoonlijk interview met mevrouw Dillie (TeSelle) Wubbles, 1937.
[11] Platboek van Lancaster. County, Nebr., 102.
[12] Persoonlijk interview met mevrouw Dillie (TeSelle) Wubbles, 1937.
[13] Persoonlijk interview met mevrouw Dillie (TeSelle) Wubbles; mevrouw Hattie (Reimes) Onnink, 1937.
[14] Persoonlijk interview met mevrouw Dillie (TeSelle) Wubbles, 1937.
[15] Persoonlijk onderhoud met mevrouw Anna (Vanderwege) Liesveld, 1937.
[16] Plat Book of Lancaster County, Nebr., 102.
[17] Persoonlijk onderhoud met de heer John Huzenveldt, 1937.
[18] Persoonlijk interview met de heer John Schreur, Firth, Nebr., 1937.
[19] Persoonlijk interview met mevrouw Dillie (TeSelle) Wubbles; mevrouw Hattie (Reimes) Onnink, 1937.
[20] Persoonlijk interview met mevrouw Hattie (Reimes) Onnink, 1937.
[21] Persoonlijk onderhoud met mevrouw Anna (Vanderwege) Liesveld, 1937.
[22] Persoonlijk interview met mevrouw Hattie (Reimes) Onnink, 1937.
[23] Persoonlijk interview met mevrouw Dillie (TeSelle) Wubbles; mevrouw Jane (Lefferdink) Heitbrink, 1937.
[24] Persoonlijk interview met mevrouw Hattie (Reimes) Onnink, 1937.
[25] Persoonlijk interview met mevrouw Jane (Lefferdink) Heitbrink, 1937.
[26] Persoonlijk interview met mevrouw Dillie (TeSelle ) Wubbles, 1937.
[27] Persoonlijk onderhoud met mevrouw Anna (Vanderwege) Liesveld; Dillie (TeSelle) Wubbles, 1937.
[28] Persoonlijk interview met mevrouw Dillie (TeSelle) Wubbles, 1937.
[29] Persoonlijk interview met mevrouw Hattie (Reimes ) Onnink, 1937.
[30] Persoonlijk onderhoud met mevrouw Anna (Vanderwege) Liesveld, 1937.
[31] Persoonlijk interview met mevrouw Dillie (TeSelle) Wubbles, 1937.
[32] Idem.
[33] ldem.
[34] Idem.
[35] Persoonlijk interview met Mr. William Vandertook , 1937.
[36] Persoonlijk interview met mevrouw Dillie (TeSelle) Wubbles, 1937.
[37] Persoonlijk interview met Mr. Henry Walvoord, 1936.
[38] Persoonlijk interview met mevrouw Dillie (TeSelle) Wubbles; de heer Dan Wissink, 137.
[39] Persoonlijk interview met Mr. Harry Gana, Firth, Nebr., 1936.
[40] Persoonlijk interview met mevrouw Jane (Lefferdink) Heitbrink, 1937.
[41] Volksvriend, 6 sept. 1921, (Orange City, Iowa). “Een zeer aangename middag werd doorgebracht ten huize van J.W. Lefferdink in Holland, Nebraska op 30 augustus 1921. Het vieren van de vijftigste verjaardag van hun huwelijk. Broeders en zusters, kinderen en kleinkinderen waren gekomen om dit oude echtpaar te vieren en te feliciteren. Een teken van blijdschap was aanwezig, en dankzegging aan God, die dit bejaarde echtpaar de eer had gegeven. Er werd een kort informeel programma gegeven. Psalmenliederen werden gezongen.”
[42] Persoonlijk onderhoud met de heer Ben Brethouwer; mevrouw Jane (Lefferdink) Heitbrink, 1937.
[43] Persoonlijk interview met mevrouw Dillie (TeSelle) Wubbles; de heer William Vandertook, 1937.
[44] Persoonlijk interview met mevrouw Dillie (TeSelle) Wubbles, 137.
[45] Persoonlijk interview met Abe Kommers, Firth, Nebr., 1937.
[46] Persoonlijk interview met de heer Ed Vermaas, 1937.
[47] Persoonlijk interview met mevrouw Dillie (TeSelle) Wubbles, 1937.
[48] Persoonlijk interview met mevrouw Clara (Bade) TeSelle, 1937.
[49] Persoonlijk interview met mevrouw Dillie (TeSelle) Wubbles, 1937; Plat Book of Lancaster County, Neb., 103; Beatrice Express 14 oktober 1871.
[50] Persoonlijk interview met mevrouw Dillie (TeSeIle) Wubbles, 1937.
[51] Persoonlijk interview met de heer John Schreur, 1937.
[52] Persoonlijk onderhoud met mevrouw Anna (Vanderwege) Liesveld, 1937.
[53] Plat Book of Lancaster County, Nebraska, 103. Een vroege waarnemer meldt dat wanneer de wind in het zuiden stond en men naar de zon keek, hij bijna altijd hordes sprinkhanen kon zien vliegen. Ze hebben blijkbaar geen ernstige schade aangericht tot 1874.
[54] Persoonlijk onderhoud met mevrouw Anna (Vanderwege) Liesveld, 1937.
[55] Plat Book of Lancaster County, Nebraska, 99.
[56] Persoonlijk interview met de heer William Dykstra, 1937.
[57] Persoonlijk interview met de heer Garret Prange, Firth, Nebr., 1937.
[58] Persoonlijk interview met mevrouw A. Vandertook, 1938.
[59] Sawyer, op. cit.,II, 365; Persoonlijk interview met de heer Ben Brethouwer, 1937.
[60] Sawyer, op. cit., lI, 365.
[61] Idem.
[62] Persoonlijk interview met de heer Henry Wubbles; de heer Garret Walvoord, Holland, Nebr., 1937.
[63] Idem.
[64] Persoonlijk interview met mevrouw Dillie (TeSelle) Wubbles; mr. Garret Walvoord, 1937
[65] Plat Book of Lancaster County, Nebraska, 95; Persoonlijk interview met de heer Henry Wubbles; de heer Dave Bauma, Holland, Nebr. , 1937.
[66] Persoonlijk interview met Mr. William Vandertook, 1937.
[67] Persoonlijk interview met de heer Henry Wubbles; mevrouw Anna (TeBrinke) Kallemeyn, Firth, Nebr.; de heer Abe Kommers, 1937.
[68] Plat Book of Lancaster County, Nebraska., 94.
[69] Persoonlijk interview met Abe Kommers, 1937; Beatrice Express, 27 juni 1872.
[70] Plat Book of Lancaster County, Nebraska., 94.
[71] Persoonlijk onderhoud met de heer Henry Wubbles; de heer Ben Brethouwer, 1937.
[72] Portrait and Biographical Album of Lancaster County, Nebr., 372; Persoonlijk interview met de heer Henry Wubbles, 1937.
[73] Persoonlijk interview met de heer Henry Wubbles; de heer John Schreur; de heer John TeKolste, Firth, Nebr., 1937.
[74] Beatrice Express, 9 september 1871; The Statesman, 14 oktober 1871, Nebr. Hist. Soc.
[75] Beatrice Express, 9 juni 1872.
[76] Ibid., 27 juni 1872.
[77] Portret en Biografisch Album van Lancaster County, Nebr., 320.
[78] Hickman Enterprise, 15 november 1895.
[79] County sheriff – een districtspolitieofficier

