De Naam “Te Selle”

Het erve “De Selle”

In Saksische streken in het oosten van Nederland, waaronder natuurlijk de Achterhoek en Winterswijk hebben familienamen gewoonlijk de volgende kenmerken: vele namen hebben de uitgang ‘-ing’ of ‘-inch’; de namen die van plaatsnamen stammen, worden voorafgegaan door te, ten, of ter; veel namen worden nader bepaald door de bijvoeglijke naamwoorden ‘groot’ of ‘klein’, ‘lutje’ of ‘lutke’, ‘oud’ en ‘old’, met als tegenstelling ‘nij’ en ‘nie’.

Voorbeelden in het Winterswijkse zijn: Groot Korreling, Groot Landweer, Groot Nebbeling, Klein Nebbeling, Klein Poelhuis, Klein Langen horst, Lutjenkossink en Lutke Schipholt. Ook vinden we , Oude Heuvel, Oude Nijhuis, Olde Kalter, Nije Twilhaar, Nijweide, Nieuw Beusink. Soms vinden we zelfs twee bijvoeglijke naamwoorden achter elkaar, zoals in Olde Nije Wheme, en Olde Grote Bevelsborg.

Een tweede kenmerk van de Oost-Nederlandse familienamen is het grote aantal waarvan het tweede element “huis” is. Ook in Winterswijk vind je Nijenhuis, Nijhuis, Groothuis, Berghuis, Kamphuis, Lohuis, Nienhuis, Rothuis, Slijkhuis en Veldhuis.

Een derde is het type waarbij de familienaam is samengesteld uit een aardrijkskundige term met een persoonsnaam als tweede element: Broek-roelofs, Dinkelharbert, Schopbarteld, Schuurhannes, Zandjans.

De uitgangen ‘-ing’ en ‘-ink’

Een van de opvallendste kenmerken is echter de uitgang “-ing” , waarvan de uitgang “-ink” een uitspraakvariant is, ontstaan door verscherping van de slotmedeklinker; in oude geschriften wordt deze variant weergegeven door de spelling “-inc” of “-inch”. Tegenwoordig vinden we een enkele maal de spelling “- ingk”, zoals in Alberdingk, Odingk en Smedingk.

De uitgang dateert uit vroeggermaanse tijden en had de hoofdbetekenis “behorende aan”, maar het kan ook uitgelegd worden als “zoon van”, en het is vooral in deze betekenis dat we hem, aan voornamen gehecht, aantreffen. De uitgang was niet specifiek Oost-Nederlands, maar kwam in het gehele Germaanse taalgebied voor, vooral in het Oud-Saksische en Angelsaksische deel.

Geleidelijk ging de betekenis van “zoon van” over in “afstammeling van” of “behorende tot de familie of het gevolg van”, gehecht aan de naam van een aanzienlijk man. Zo ontstonden namen van koningshuizen als Merovingen en Karolingen. De laatsten de afstammelingen van Karel de Grote.

In de achtste eeuw komen we ook voornamen op “ing” tegen: Ameling, Erming, Harding, Huging, Ruding, Willing. Tegenwoordig bestaan er nog enkele, zoals Azing, Dunning, Haring en Nanning. In de kleine gemeenschappen van die tijd was één naam voldoende, maar later had men een voornaam en een geslachtsnaam nodig; het eerste voorbeeld in Oost-Nederland is Heinricus Emmikinc, in 1200 in Hummelo vermeld, zoon van Emmiko.

Wanneer in die overoude tijden iemand die Willing heette zich ergens als boer vestigde, dan werd zijn huis en erve naar hem genoemd, en werd het op deze wijze een erfnaam, die in de categorie der plaatsnamen thuishoort. Albert te Selle bewoont de oude boerderij “Fökkink” in Kotten.[3. Albert te Selle is recentelijk overleden. Dit artikel was toen al gepubliceerd. ]

Waarschijnlijk heeft dus dit oude erf heel lang geleden een eerste bewoner gehad die Fökkink heette. En deze naam betekent dan weer “zoon van Fokke of Foke”. Dat de betekenis “zoon van” nog lang levend bleef, blijkt uit een vermelding van iemand uit Ootmarsum die in 1335 aangeduid werd als Egbert Tackensoen (zoon van Tack), maar in 1337 en volgende jaren als Egbert Tackinc; hier heet hij duidelijk naar zijn vader.

Maar voor vrijwel alle namen op “-ing” of “-ink” moeten we aannemen dat het oorspronkelijk erfnamen zijn, zodat iemand die Fökkink heet, vrij zeker niet van een voorvader Fokke stamt, maar van een erve Fökkink. In onze familiestamboom komen we “-inknamen in grote aantallen tegen: Willink, Zegelink, Aarnink, Bennink, Besselink, Boeijink, Harmelink, Hesselink, Kruisselbrink, Obbink, Stemerdink, Wassink, Willink, Wilterdink en Zegelink.

Overigens is bovenstaande verklaring van de “-inknamen” bepaald niet onomstreden. Zo schreef J.G. Graaskamp in de Nieuwe Winterswijkse Courant het onderstaande artikel:

Wat betekent de uitgang “-ink” nu eigenlijk?

Winterswijk heeft zo’n groot aantal hoeve- en achternamen, die op “-ink” eindigen, dat bijna het gehele alfabet vertegenwoordigd is, van Aarnink tot Zieverdink (ook wel Sieverdink). Nog steeds wordt door velen beweerd, dat deze uitgang ‘Zoon van’ betekent, omdat zij meestal achter een oude voornaam staat. Om maar bij Aarnink te blijven, deze naam ontstond uit Arend-ink, dus duidelijk uit een voornaam. Maar bij Schurink (Meddo) en Winkelhorstink (Aalten) is dit niet het geval. We hebben hier kennelijk te doen met een gebouw (schuur) en een stuk grond (winkel-horst). In verband hiermee zijn we in Winterswijk bijzonder gezegend met het feit, dat over onze hoevenamen zeer veel Middeleeuwse gegevens in her en der verspreide archieven bewaard gebleven zijn, waaruit we tamelijk precies kunnen opmaken, wat de uitgang “-ink” hier oorspronkelijk inhield. Daarbij blijkt, dat de mensen hier in de 11e eeuw nog zonder “-ink” achter hun naam rondliepen.

De oudste oorkonde, die we omtrent Winterswijkse goederen bezitten, is een lijst van inkomsten (Heberolle in ’t Duits) van het Sint Maurits-stift te Munster uit de jaren 1050. Hierin komen onder andere voor de hoevebewoners Hoyko, Hezel, Heyo, Boso en Menso.[1.  B. Stegeman. ‘Het oude kerspel Winterswijk’, herdruk 1966, blz 35v.] Duidelijk is te zien, dat door toevoeging van “-ink” hieruit de hoevenamen Hoykink (nu Huitink), Hesselink, Hijink, Beusink en Mensink zijn ontstaan.

Dit stemt geheel overeen met de bekende Heberolle van het klooster Frekkenhorst, Kreis Warendorf, uit ongeveer 950, waarin de eigenaren van de cijnsgevende hoeven ook alleen met hun voor- of roepnaam vermeld worden.

Wel zien we daar de “-ing” uitgang in namen van dorpen, zoals Livoreding-thorpa, Boing-thorpa en Huninghova. Dus de personen werden niet en de dorpen wel met “-ing” aangeduid.

Hoe zit dat? Van deze “tweevormigheid” is in de Winterswijkse naamgeving zeldzaam genoeg nog een brokstuk overgebleven. Een hele lijst van hoevenamen kunnen we opstellen, die hier in de volksmond nog steeds zonder “-ink” gebezigd kunnen worden, als volgt:

Lijst van Hoevenaam

Persoonsnaam Buurtschap Hoevenaam (officiële)
Anneveld Kotten Annevelink
De Bönneker Dorpbuurt Bonnink
Boveld Woold Bovelink
De Buiker Kotten Boykink (Buitink)
De Deter Meddo Dieterink
Elferd Woold Elterdink
Garverd Meddo Garverdink
Hilbeld Brinkheume Hilbelink
Leeferd Ratum Leeferdink
De Menger Henxel Menckwerdynck (in 1506)
De Meert Woold Meerdink
Rauwerd Woold Rauwerdink
Rennerd Huppel Rennerdink
Reuseld Kotten Reuselink
Roord Woold Roerdink
Simmeld Meddo Simmelink
Seibel Kotten Siebelink
Steemerd Brinkheume Stemerdink
Tenk Ratum Tenkink
De Ubbeker Dorpbuurt Ubbink
De Vökker Kotten Fökkink
De Wajjer Meddo Waijerdink
Waomeld Dorpbuurt Wamelink
De Wesselder Meddo Wesselink
De Wieber Brinkheume Wieberdink
De Wigger Dorpbuurt Wiggerink
Wilterd Kotten Wilterdink
Zieverd Brinkheume Sieverdink
De Zikkerd Kotten en Corle Sikkink

Zijn er nog meer dan deze 29? Waar in Nederland of Duitsland kan dit namenjuweel worden geëvenaard? De “-ink” vorming is hier nog bijna levend! Maar hoe komt dat, vraagt u zich af?

Het antwoord vinden we in enkele archaïsche naamvormen als Gorkengoet (1532), (nu Geur-kink), Eesen-brink (nu Eesinkbrink), Beuzen-es (identiek met de naam Beusink) en Scholten-enk. Evenals in de behandelde namen Bovenhuis (naast Boefkinck), Rosenhuis (naast Roessink) en Luikenhuis (naast Loykink) hebben we hier met de sterke tweede naamvalsverbuiging (op “-en”) van persoonsnamen te doen, die later in “-ink” veranderde. De betekenis was dus “van” en anders niets!

Wanneer een erve van eigenaar of bewoner wisselde kon het met de naam van de oude of de nieuwe eigenaar aangeduid worden: in 1645 woonde Johan Hissinck (op Roessink) bij Zelhem; in 1660 heetten zijn zoons Herman en Lubbert Roessinck, maar hun vader werd nog aangeduid als Johan Hissinck ofte Roessinck.

In later eeuwen noemde de bewoner zich naar het erve en gaf hij zijn eigen naam op, iets wat onofficieel nog altijd gebeurt. In de Winterswijkse buurtschappen wordt Bertus te Selle uit Miste “Harmelink” genoemd, Albert te Selle in Kotten heet ook “Den Vökker”, en Erik te Selle wordt “Guldeman” genoemd.[4. Bertus te Selle en Albert te Selle zijn recentelijk overleden. Dit artikel was toen al gepubliceerd. ] Allemaal dus genoemd naar de erfnaam van hun boerderijen.

Zo heetten de voorouders van onze familie eerst Wiggers, een naam die nu nóg veel in de gemeente Winterswijk voorkomt. Op het moment dat zij de bewoners worden van het erve ‘De Selle’ worden ze “Selleman” ofwel “Te Selle” genoemd.

De invoering van de verplichte inschrijving voor de krijgsdienst – de conscriptie – door Napoleon veranderde de naamgeving. De ingezetenen van Holland die nog geen geslachtsnaam voerden werd door het decreet van Napoleon van 18 augustus 1811 aange-zegd om binnen de termijn van een jaar er een aan te nemen. Vaste, erfelijke familienamen werden dus verplicht.

Toen na de invoering van de Burgerlijke Stand in 1811 iedereen een naam moest kiezen, wist menigeen niet precies hoe hij heette, zodat soms beide namen geregistreerd werden. Daaraan danken we de dubbele namen als Geerding Johannink, Vennegoor of Hesselink, Wissink ook Geerdink. Te Riet ook genaamd Scholten.

Men kon “of” ook wat chiquer in het Latijnse “sive” vertalen en zo ontstonden Ter Haar sive Droste, Rengelink sive Röttgers. Lieden die dezelfde naam droegen konden onderscheiden worden door toevoeging van “op” gevolgd door een erfnaam: Ensink op Kemna; Ensink op Reimer.

Gerrit Willem Bloemers die in 1846 naar Amerika emigreert met Janna te Selle krijgt bij zijn doop de naam “Dijksbos”, de naam van de boerderij (Diekebos) waar hij is geboren. Als vaste familienamen worden ingevoerd gaat hij zich (weer) Bloemers noemen naar de naam van zijn vader….

De namen die van plaatsnamen afstammen: te, ter, ten.

De familienamen die van plaatsnamen zijn afgeleid, waartoe in Oost-Nederland alle erfnamen behoren, kunnen al of niet voorafgegaan worden door een voorzetsel, met of zonder lidwoord, of ze kunnen met ‘man’ samengesteld zijn. Men kan dus Te Selle heten of bijvoorbeeld “Selleman” genoemd worden. Woonde men bij een beek, dijk, een horst, of een veld dan heet men in West-Nederland van (der) Beek, van Dijk, Dijkman, van der Horst, van der Velde, of in het Veld; in Oost-Nederland heet men dan ter Beke, Beekman, ten Dieke, Diekman, ter Horst, Horstman of te(n) Velde, Veldman.

De voorzetsels te, ten en ter zijn ontstaan uit het Oud-Saksische to, tom en tor. (In Duitsland: zu, zum, zur). De laatste twee zijn samengetrokken uit “to” en de verbogen lidwoorden “dem” en “der “. In enkele nog bestaande familienamen zijn de oude vormen bewaard gebleven: to Bokholt, te(n) Bokkel, Thorbecke (ter Beke), Thomberg (ten Berg), Tombrink (ten Brink); Tombroek (ten Broeke). Verschillende Te Selles trouwden met een to Bosch ofwel een Toebes.

Doordat men de klemtoon meestal op de eerste lettergreep legt, zijn de namen soms moeilijk herkenbaar geworden. Soms vinden we voor dezelfde naam de West- en Oost-Nederlandse wijze van aanduiding door elkaar: Te Lintelo, naar de hof to Lintelo, naast van Lintel. In het eerste geval is het Oost-Nederlandse “te” gecombineerd met de volledige naam van de hof, in het tweede het West-Nederlandse “van” met de lokale uitspraakvorm van Lintel. Voor het oosten van Nederland zijn dus kenmerkend namen met de voorvoegsels ten, ter en te.

Voor de Saksische streken in het algemeen zijn bovendien de tweelettergrepige namen op -e kenmerkend, bijv. Rogge, Rijke, Vinke, Witte. In de telefoongids van Winterswijk vindt men snel:

Te Beest, Te Bokkel, Te Bogt, Te Braake, Te Brinke, Te Brummelstroete, Te Kolsté, Te Giffel, Te Winkel, Te Gronde, Te Grootenhuis, Te Hennepe, Te Hofstee, Te Koppele, Te Kortschot, Te Kronnie, Te Kulve, Te Lindert, Te Lintum, Te Loo, Te Luke, Te Mebel, Te Molder, Te Morsche, Te Pas, Te Paske, Te Peele, Te Plate, Te Poele, Te Riet, Te Roele, Te Roller, Te Selle, Te Siepe, Te Slippe, Te Strake, Te Vaarwerk, Te Veele, Te Voortwis, Te Vruchte en Te Winkel.

Erve De Selle – Waar komt de naam vandaan?

Veel boerderijen ontleenden hun naam aan de ligging, bodemgesteldheid en andere factoren. Waar komt nu de naam van boerderij De Selle vandaan?

Algemeen wordt aanvaard dat sele-namen horen bij de West-Germaanse stammen van de Chamaven en Saliërs die oorspronkelijk het gebied bewoonden aan de rechteroever van de Rijn. Naar de in later tijd (10e eeuw) voorkomende benaming Hamaland te oordelen, zou dit het gebied geweest kunnen zijn tussen de IJssel en de Lippe (o.a. Salland, de Gelderse Achterhoek en West-Overijssel). De hierboven genoemde stammen behoorden tot het bondgenootschap der Cheruscen (Cherusci) tegen de Romeinen. Zij betaalden de Romeinen belasting in de vorm van koeienhuiden en moesten soldaten leveren aan het Romeinse leger. In het begin van de derde eeuw na Chr. verenigden zij zich met een aantal in het Rijnland wonende West-Germaanse stammen, waaronder de Chatuari, Brukteren, Amsivari en de Chatten (Chatti) in een nieuw bondgenootschap, dat sindsdien wordt aangeduid met de verzamelnaam Salische Franken (Franci Salii). De naam Franken betekent “moedig” of “stoutmoedig”, de naam die oorlogsbenden wel eens gebruikten om zichzelf te beschrijven. Deze naam klinkt het geloofwaardigst voor wat betreft de oorsprong van de Franken: het waren namelijk avonturiers die zich verenigd hadden om de beneden Rijngrens van het Romeinse rijk aan te vallen. De militaire kracht van de Franken ontwikkelde zich snel in de tweede helft van de derde eeuw. Samen met de Alamannen en andere Germaanse stammen begonnen zij tussen 250 en 275 volop het Romeinse rijk binnen te vallen, waarbij in 274-275 Gallië werd platgewalst.

Daar de Franken zich na de ineenstorting van het Romeinse Rijk ook gingen vestigen in Zuid-Nederland en in het huidige België vinden we vooral daar nog veel plaatsnamen waarin het woord sele voorkomt. Plaatsnamen als Broeksele (Brussel), Barsele (Bazel) Melsele, Belsele, Elversele, Moorsel zijn meestal samengesteld uit twee germaanse woorden, die in de samenstellingen enigszins vervormd werden. Sali werd vervormd tot sela, sele en selle.

"Los Hoes" - an open house providing shelter for people and livestock

“Los Hoes” – an open house providing shelter for people and livestock

Over de betekenis van dit woord zijn de taalgeleerden het vrijwel eens. Volgens J. Vercoullie betekent sele of selle “een rui m vertrek dat een heel gebouw uitmaakt en dat naar gelang van de omstandigheden of als gemeenschappelijke eetzaal of als slaaplokaal of nog als schuur dienst kan doen“. Daarom ook schrijft de Vlaamse taalkundige M. Gijsseling dat sali misschien prima te omschrijven is als een “uit slechts één ruimte bestaande huizing voor mens en vee“. En dat is nu precies hetgeen we in Oost-Nederland verstaan onder een “los hoes”.[2. Het ‘los hoes’ is een boerderijtype dat veel in de Gelderse Achterhoek voorkwam. Het is een boerderijtype met een steil pannendak en een gedeeltelijk houten gevel. De woning en de schuur vormden oorspronkelijk één grote ruimte (los = open). De hoge puntgevel werd bekroond met een gevelteken met symbool (waarvan het teken van de twee paardenkoppen ‘Horsa en Hengest’ het bekendste is). Aan het gevelteken was ook vaak de godsdienst van de toenmalige boer af te lezen: een kruis, miskelk of hostie voor de katholieke boeren en een haan of een zonnerad voor de protestanten. Het oorspronkelijke los hoes – van materialen uit de omgeving zonder spijkers gebouwd – is vrijwel verdwenen. Voor meer informatie kunt u terecht op de extra websites aan het einde van dit artikel.]

Zoals hierboven al opgemerkt komt sele ook veel voor in samenstellingen. In 1156 heette het dorp Bazel in België nog Barsela. In de dertiende eeuw schreef men Barsele en éénmaal Baessele. Bara, het eerste lid waarmee Barsela is samengesteld betekent bar bloot, woest. We vinden het woord nog terug in ons tegenwoordige “barrevoets”. In de samenstelling met sali wijst bara dus op de gesteldheid van de bodem waarop het huis stond. De hele verklaring van Barsele luidt derhalve: een huis dat uit slechts één ruimte bestaat en dat gebouwd is op barre, onvruchtbare grond.

Broek betekent malse weide, op de aanslibbingsgrond naast een waterloop. Deze gronden waren de beste weiden, waar de boeren bij voorkeur hun koeien op lieten grazen. Zo is de naam Brussel ontstaan als “broek-seele”. Sele of zaal is dus “gebouw” op het broek.

Zo kennen we ook nog de familienaam Van Moorsel: mor betekent drassige grond en sele weer woning.

Tot slot valt nog te vermelden dat niet alleen de gemeente Winterswijk een boerderij genaamd De Selle kent. Ook bestaat er nog in Ellecom – gemeente Rheden – een boerderij De Selle die in de achttiende eeuw bekend stond als “Hofstede in de Selle”.

Hoe wordt de naam Te Selle geschreven?

  • In het Nederlands krijgen landen (en afleidingen daarvan), talen, plaatsen, sommige begrippen en persoonsnamen een hoofdletter: Noord-Holland (Noord-Hollands), Duits, Winterswijk, Tweede Wereldoorlog, Jan van den Berg.
  • Ook het voorzetsel van een naam, zoals in Te Selle, wordt met een hoofdletter geschreven wanneer de naam niet vooraf wordt gegaan door een voorletter of een voornaam. De naam en voorletters moeten ook bij elkaar gehouden worden op één regel.
  • Tussen het voorzetsel van een achternaam en de eigenlijke achternaam wordt een spatie geplaatst.
  • Als de uitspraak van het woord er niet door verandert moet in het meervoud de letter ‘s’ verbonden worden met het voorafgaande woord.

U zult in deze teksten dus zien:

  • Harmen Jan te Selle emigreert naar Amerika.
  • H.J. te Selle emigreert naar Amerika.
  • De heer Te Selle emigreert naar Amerika.
  • De broers Te Selle emigreren naar Amerika.
  • De Te Selles emigreren naar Amerika.

In Amerika wordt door de huidige Te Selles de spatie tussen voorzetsel en achternaam meestal weggelaten (“TeSelle”). Desondanks wordt vaak de hoofdletter ‘S’ gehandhaafd: Harmen Jan TeSelle.

Waarover hebben we nu vrij veel zekerheid?

  • De boerderijnamen ‘De Selle’ en ‘Wiggers’ zijn erg oud en worden al vermeld in het verpondingskohier van 1648. De beide boerderijen zijn gelegen in de buurtschap Woold van de gemeente Winterswijk.
  • De mensen die op ‘De Selle’ woonden werden Te Selle genoemd en de mensen op ‘Wiggers’ werden Wiggers genoemd naar de naam van hun boerderij.
  • Rond 1712 komt Harmen Wiggers op ‘De Selle’ te wonen en wordt hij Harmen te Selle genoemd. Ook zijn kinderen gaan Te Selle heten. De mensen die al op ‘De Selle’ woonden vóór 1700 en toen dus ook Te Selle heetten kregen later weer andere familienamen. Tot op heden zijn ze niet aantoonbaar verwant aan de Te Selles van nu.
  • De naam Te Selle wordt een officiële familienaam na de invoering van de Burgerlijke Stand in de periode dat Nederland door Napoleon was ingelijfd (1810-1813) en deel uitmaakte van het Franse keizerrijk.
  • De familienaam Te Selle is afkomstig van de naam van hun boerderij. Het woord Selle komt uit de taal van de West-Germanen. Sali, hun woord voor woning, evolueerde in de loop der tijd tot sela, sele en selle en betekende “een behuizing voor mens en dier die uit één ruimte bestaat”.
  • Onze familienaam is typisch voor de Achterhoek en zelfs typisch Winterswijks. Nergens in Nederland of in Amerika zijn we tot op heden mensen tegengekomen met dezelfde familienaam die niet in onze familiestamboom terug te vinden zijn.